Jung leefde van 1875 tot 1961. Hij was een Zwitserse arts en psychiater, en heeft zich naast zijn vakgebied, de psychiatrie, verdiept in veel onderwerpen, zoals mythologie, oosterse en westerse filosofie, gnosis, alchemie, theologie, kosmologie en kunst. Alles verbindend met zijn eigen ervaring heeft hij zijn theorieën ontwikkeld. Tussen 1900 en ongeveer 1910 zag hij Freud als zijn leermeester. Daarna zijn hun wegen uiteen gegaan.
Het onbewuste is een centraal begrip bij Jung. Naast het persoonlijk onbewuste, is Jung bekend om zijn onderzoek naar het collectief onbewuste. In feite is de hele geschiedenis van de mensheid onderdeel van het onbewuste. Onbewust ‘weten’ we welk scala aan menselijke gevoelens en gedragspatronen mogelijk zijn.
De schaduw hoort bij het persoonlijk onbewuste. Het gaat om delen van onszelf die we verdrongen hebben, bijvoorbeeld als gevolg van een trauma, aspecten van onszelf die we liever niet willen weten, maar ook talenten die we nooit hebben durven ontplooien.
Delen die we van onszelf niet accepteren projecteren we graag op anderen. Juist wat ons het meest ergert bij een ander, of wat we het meest bewonderen, reflecteert een deel van onszelf.
De archetypen zijn een soort oerbeelden. Ze hebben geen vaste vorm of uiterlijk. Het zijn aspecten van het mens zijn die we allemaal kennen en meemaken. Vrouw, man, broer, zus, kind, grootouder, heks, draak, monster, zon, maan. Ieder mens en iedere generatie vult deze beelden weer opnieuw in.
Symbolen zijn objecten of beelden die een sterke betekenis voor ons hebben. Ze roepen iets op in onze beleving.
Zo binnen, zo buiten (zo boven zo onder). Dit uitgangspunt dat Jung hanteert is heel oud. Het komt al voor in de gnosis en in de alchemie. Eigenlijk wil het zeggen dat alles met elkaar verbonden is. In het dagelijks leven voelen we dit niet altijd zo, maar in de diepte kunnen we dit (soms) wel ervaren. Dit uitgangspunt is direct gekoppeld aan het begrip projectie, en ook verbonden met synchroniciteit.
Tegenstellingen bepalen de dynamiek van de psyche. We ervaren allen tegenstellingen, zoals licht – donker, groot – klein, vrouwelijk en mannelijk (anima en animus). Wanneer vooral één kant van de tegenstelling wordt geleefd, ervaren we een disbalans. De kunst is om beide kanten van een tegenstelling zoveel mogelijk in onszelf te integreren, in het midden uit te komen.
Synchroniciteit gaat over schijnbaar verschillende fenomenen die op hetzelfde tijdstip plaatsvinden. Een bekend voorbeeld is de cliënte van Jung die een droom vertelt over een scarabee (mestkever). Op hetzelfde moment zit er een scarabee op het venster. Dit maakte dat de cliënte de betekenis ervan nog dieper voelde. Het ervaren van momenten van synchroniciteit kan een geluksgevoel oproepen, een gevoel dat alles klopt en dat alles met alles verbonden is.
