Een belangrijk onderwerp is de Typenleer. De typenleer wordt onder andere gebruikt in de Myers-Briggs test.
Het eerste onderscheid dat Jung maakt is tussen introvert en extravert. Elk type kan introvert of extravert zijn .
De types zijn in twee categorieën verdeeld. De rationele typen, denken en voelen. En de irrationele typen, waarnemen en intuïtie. Je kunt zeggen dat waarnemen als eerste komt. Er wordt iets waargenomen, via een zintuig. Bijvoorbeeld, je stuit bij het in de tuin werken op iets zachts. Het denken gaat dan vaststellen wat er waargenomen is. Je ziet dat het een vrucht is van de vijgenboom. Via het voelen komt daar een waardering bij, bijv. of de vrucht bruikbaar is, of nog onrijp, of je van vijgen houdt of niet. De intuïtie is een categorie apart, een soort van om een hoekje kijken. In dit geval bijvoorbeeld ‘weten’, dat de vrucht op een plek ligt waarvan je beter niet kunt eten.
Ieder mens heeft één hoofdfunctie, twee hulpfuncties en een functie die nog ontwikkeld kan worden, die nog niet bewust is. Een denkend iemand heeft waarnemen en intuïtie als hulpfunctie en voelen in het onbewuste. Een voelend iemand heeft dezelfde hulpfuncties en denken in het onbewuste.
Een intuïtief iemand heeft denken en voelen als hulpfunctie en waarnemen is in eerste instantie in het onbewuste. Een waarnemend iemand heeft dezelfde hulpfuncties en intuïtie in het onbewuste.
Karin Hamaker stelt in haar boek ‘Jungs psychologische typen in de praktijk’, dat elk type hoort bij een sterrenbeeld. Steenbok, stier en maagd zijn waarnemende typen. Waterman, tweeling en weegschaal zijn denkend. Vissen, kreeft en schorpioen zijn voelend. Ram, leeuw en boogschutter zijn intuïtief.
